Samen vormen deze methodieken het kompas dat richting geeft aan ons handelen en onze keuzes in de praktijk.

1. Ervaringsleer
Ervaringsleer is een methodiek die zich richt op leren door te doen. Onze collega’s ondersteunen de jongeren bij het reflecteren op een ervaring, het leggen van verbanden en het vormen van een (nieuw) plan. Bij de uitvoering van dit plan ontstaat een nieuwe ervaring, waarna de cyclus zich herhaalt (Kolb, 1984). In plaats van alleen te praten over gedrag worden jongeren actief betrokken door te experimenteren in de praktijk.
Behalve recreatief en educatief is ervaringsleer ook binnen (ortho)pedagogsische en therapeutische setting in te zetten (J.D. van der Ploeg, 2011). Binnen deze laatste twee domeinen is wereldwijd veelzijdig onderzoek gedaan naar zowel directe als lange-termijn effecten (Gass & Gillis, 2020). Uit resultaten in Nederland blijkt dat ervaringsleren onder andere leidt tot vermindering van probleemgedrag, verbetering van de interactie met anderen en vergroting van het doorzettingsvermogen en probleemoplossend vermogen (Ruikes, 2018).
Bij Tjeenz wordt ervaringsleer toegepast tijdens de uitvoering van alledaagse taken (zoals koken, schoonmaken, plannen), tijdens wekelijkse sportavonden en activiteiten, groepstochten en binnen onze ambulante programma’s.

2. Geweldloos Verzet (NVR / Nieuwe Autoriteit)
Geweldloos Verzet is een methodiek die begeleiders helpt om rustig, duidelijk en standvastig te reageren op grensoverschrijdend gedrag, zonder te vervallen in discussies of machtsstrijd. Het gaat niet om straffen, maar om zichtbare aanwezigheid, verbondenheid en begrenzing, gecombineerd met het voorkomen van escalaties.
De aanpak richt zich op het versterken van het gezag van opvoeders en begeleiders door middel van waakzame zorg, steun organiseren, duidelijke standpunten, en geweldloos verzet tonen tegen destructief gedrag.
Recent onderzoek binnen residentiële voorzieningen laat zien dat teamtraining in Geweldloos Verzet kan leiden tot minder agressie‑incidenten, betere samenwerking met ouders en meer rust op groepen. Hoewel de effecten verschillen per situatie, blijkt de methodiek waardevol in jeugdzorgcontexten met complexe gedragsproblemen.
Voor een open woongroep betekent dit dat begeleiders een voorspelbare en veilige structuur creëren, waarbij jongeren merken dat stafleden niet terugvechten, maar ook niet opgeven. Door middel van technieken zoals de sit‑in, aankondigingsgesprekken en het betrekken van een steunend netwerk, ervaren jongeren dat hun gedrag serieus genomen wordt maar dat de relatie centraal blijft.

3. Oplossingsgericht Werken
Oplossingsgericht werken focust niet op wat misgaat, maar op wat werkt, waar kracht zit en welke kleine stappen een jongere dichter bij zijn gewenste toekomst brengen. Deze benadering is kort, concreet en positief van toon. Dit past goed bij jongeren in een woongroep, omdat het hen helpt om regie te ervaren en te kijken naar hun eigen mogelijkheden in plaats van naar problemen.
Het Nederlands Jeugdinstituut omschrijft oplossingsgericht werken als een gestructureerde manier van vragen stellen waarbij jongeren worden geholpen hun eigen oplossingen te ontdekken en hoop en vertrouwen worden vergroot.
Daarnaast bestaat er recente handreiking over oplossingsgerichte gespreksvoering binnen jeugdgezondheidszorg waarin het belang van oplossingstaal, schaalvragen, motivering en toekomstgericht werken wordt benadrukt.
In een open woongroep betekent dit dat gesprekken draaien om vragen als:
- “Wanneer gaat het al een beetje beter?”
- “Wat werkte toen?”
- “Welke kleine stap kun je vandaag zetten?”
Ook sluit het goed aan bij groepsmomenten, omdat jongeren van elkaar kunnen leren wanneer successen worden gedeeld.

4. Systemisch Werken
Systemisch werken kijkt naar jongeren in relatie tot hun systeem: ouders, familie, netwerk, groepsgenoten en de bredere omgeving. Gedrag wordt gezien als onderdeel van patronen binnen dat systeem. Voor jongeren in een open woongroep is dit cruciaal, omdat veel van hun problemen niet alleen individueel zijn maar ook voortkomen uit familiegeschiedenis, interactiepatronen en loyaliteiten.
Bij Tjeenz betekent dit dat begeleiders:
- Netwerkkaarten gebruiken
- Genogrammen maken
- Circulaire vragen stellen (“Wat denk je dat je moeder vindt van…?”)
- Patronen zichtbaar maken
Jongeren voelen zich hierdoor minder alleen en leren hun gedrag beter begrijpen in context van het grotere geheel.

5. Groepsdynamisch Werken
Door groepsdynamisch te werken zetten we de groep in als instrument. Binnen een groep ontstaat altijd een groepsdynamisch krachtenspel dat de groep zowel positief als negatief kan beïnvloeden (Dion, 2000). Dit groepsinstrument kan worden gestuurd. Het gericht inzetten van een groep als (therapeutisch) instrument kan zowel in de individuele als in de groepssetting een positief effect hebben op de (therapeutische) uitkomst (De Haas, 2020).
Bij Tjeenz passen wij onze werkwijze aan op basis van de fase waarin de groep zich bevindt (Remmerswaal, 2020). Bij een nieuwe plaatsing vormt zich een nieuwe groep. We beginnen dan altijd met een kampvuuravond als kennismaking. Hier maakt de groep onderling afspraken over hoe zij gedurende hun gezamenlijke verblijf met elkaar willen omgaan. Dit wordt wekelijks (tijdens tochten dagelijks) besproken tijdens een groepsoverleg. Daarnaast is er iedere week een groepsactiviteit, gevolgd door een groepssessie. Hier wordt stilgestaan bij ieders successen van afgelopen week en bij alle doelen voor komende week. Tot slot organiseren we groepstochten waarin de kracht van de groep de basis vormt voor het dagelijks handelen.



